Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode

Deel VI
De bezittingen van de Parkabdij te Rode
Inkomsten van cijnzen en tienden van de abdij en pastorie

Zoals nagenoeg overal in de streek waren voor de elfde eeuw de oude kerkelijke inkomsten en rechten in handen gekomen van machtige heren, het feodale grootgrondbezit. Stilaan waren de bestaansmiddelen van kerk en pastoor van hun oorspronkelijk doel afgebogen, en dienden ze in hoofdzaak ter verrijking van de Heer, die mordicus aan zijn rechten hield.

In St-Pieters-Rode was dit eveneens het geval. De twee plaatselijke heren van de heerlijkheden Horst en Rode bezaten ieder de helft van de kerkelijke tienden en het pastoraatsrecht: zij mochten de pastoor ter benoeming voorstellen.

Dat zulks tot sommige wantoestanden kon leiden is begrijpelijk, want de heren hadden wel eens meer oog voor hun eigen stoffelijke noden dan voor de geestelijke nood van anderen. Zoals we zagen reageerde de kerk daartegen in de twaalfde eeuw op het derde Lateraans concilie, dat de heren wou kortwieken in hun kerkelijke bemoeizucht. Dank zij dit concilie werden in heel Brabant - en in Rode - heel wat toestanden rechtgezet. Doch reeds 18 jaar voor het concilie besefte de Heer van Rode, Rutger Van Linden, dat hij als leek beter afstand deed van oorspronkelijk geestelijk bezit. In 1158 gaf bij zijn helft van tienden en pastoraat aan de abdij van Park. In 1226 volgde de tweede helft, die toebehoorde aan de Heer van Horst, die deze rechten volgens Parks archief slechts noodgedwongen afgaf.

Zo bezat dus de abdij het volle tienden- en pastoraatsrecht. Hier botsen we dan wel op een tegenstrijdigheid met de bedoelingen van het voornoemd concilie, want niet de pastoor kreeg die tienden maar de abdij van Park. Dit werd echter handig omzeild met een juridische haarkloverij: de Parkabdij was pastoor, en zij stelde een dienstdoende pastoor aan. Voor de rest was er geen vuiltje aan de lucht. Het loonde trouwens ruimschoots de moeite zich een haarkloverij te permitteren als we even nagaan wat dit tiendenrecht te Rode betekende.

In 1293 zijn er voor de heerlijkheid Rode reeds 16 hoeven gekend, die toch niet allemaal tegelijk kunnen zijn gebouwd, en die hun tienden moesten afdragen. In 1274 was Park reeds verplicht een nieuwe tiendenschuur te bouwen (Relaas uit het cijnsboek 1648)

In de archieven van de parochie en de abdij van Park vinden we het Rode geldend tiendenstelsel klaar uitgetekend terug. Het omvatte

1) de grote tienden of het tiende gedeelte van de graanoogst: spelt, rogge, tarwe, haven enz.
2) de kleine tienden: de vruchten uit de moestuin, kempzaad en lijnzaad (vlas)
3) de hooitienden: daar nagenoeg alle lage gronden tussen St-Pieters-Rode en Nieuwrode, Kortrijk en Houwaart in de vallei van de Winge hooibeemden waren, was de hooitiende zeer belangrijk.

Doch daar kwam meerdere malen niets van terecht omdat rondtrekkende legers het hooi stalen of aansloegen voor hun paarden.

Volgens het Manuale van pastoor de Waersegger (1656) p. 20 werden volgende hooitienden onder Houwaart geheven:

3.1) In gans het Houwaartbroek
3.2) In het "Neer-eynde" van Houwaart
3.3) In Motbroek, Cleerbeek en Schubbeek zover als de parochie van Rode zich uitstrekt, scheidend met de straat van Luttercenten (Lutterkolen)
3.4) De beemden van de Heer van Horst te Cleerbeek over de beek
3.5) De beemden naar Gemp toe, tot aan de molen van Gemp

Deze hooitienden werden in de 17 de eeuw verpacht aan mensen uit de omgeving.

4) de vleestienden: onder vleestienden wordt verstaan het tiende deel den productie van vee, varkens en lammeren, hennen, hanen en ganzen. Daar de mensen te arm waren en hun bedrijf te klein, hadden ze geen tien jonge dieren - of meer - per jaar. Daarom werd dan de waarde van een jong dier omgerekend en gedeeld door tien. Dat was het pastoorsdeel. (Reg. Benef. en kerken van de abdij van Park) Op vele plaatsen was de pastoor verplicht tot een wederkerige dienst: hij moest nl. het mannelijk dier houden, de stier of de ram. Of dit te Rode het geval was, vonden we niet.
5) de houttienden: we mogen niet vergeten dat vele eeuwen door hout nagenoeg de enige brandstof was, naast turf. Het Hageland was de houtleverancier bij uitstek aan Leuven-stad. Daarom was het hout ook zo duur en hadden de pastoors nauwkeurig het hakken van struiken en bomen in het oog. Ze eisten zelfs de houttienden van het snoeihout van de boomgaarden.

Deze houttienden, de vleestienden en kleine tienden waren te Rode volledig voor de pastoor, samen met de novalia, een bepaald deel dat de pastoor ten deel viel op pas ontgonnen bos. Dit was niet het geval voor de grote tienden en de houttienden. Daarvan kreeg de abdij het leeuwenaandeel: de pastoor van Rode kreeg een twintigste deel dezer tienden.

6) de wijntienden: heffing op de wijnoogst, die in onbruik geraakt in de 16 de eeuw (Manuale van 1623 - Archief Pastorie)

We kunnen ons een idee vormen van de omvang van de Rodense tienden dank zij de tiendenboeken der pastoors, berustend in het kerkarchief.

Het manuale van Pastoor Smets, 1714, vermeldt:

  • 3000 halsters koren (dit is per halster: 30 a 35 liter)
  • 480 halsters gerst
  • 2560 halsters haver
  • 40 halsters bonen

Omdat deze inkomsten zo hoog waren werd het aandeel van de pastoors verkleind: in de 18e eeuw kregen ze uit de graantienden nog ongeveer 1/40 ste, d.w.z. 19 mudden koren (1 mudde 4 halsters), 16 mudden haver, 3 mudden gerst en 25 aandelen stro in de zomer alsook 25 in de winter.

Daarbij kwam nog, voor de kerk alleszins, de helft van de tienden van Vlasselaar; dit vertegenwoordigde ongeveer 140 florijnen te verdelen met de abt (A.A.M. D.V. 1633) Een groot deel van Vlasselaar was geestelijk St-Pieters-Rode, net als Houwaart, Kortrijk en Nieuwrode: dit werd pas in de 18de eeuw in de huidige zin geregeld. Zo verviel in 1754 het tiendenrecht van de pastoor van Rode te Houwaart. Dit Houwaarts tiendenrecht bracht op 180 fl. 12 st.

1 2 halsters tarwe 3 0
2 8 bunder novalia 17 10
3 8 halsters koren i.pl.v. erwten 8 0
4 novalia van een boomgaard 6 0
5 2 halsters bonen 5 12
6 10 hopen stro (een hoop = 8 schoven) 8 0
7 het 1ste en 2de deel der hooitienden 45 0
  (deze tienden werden verhuurd)    
8 vleestienden, vlas, kempzaad 3 10
9 de meerrest der tienden onder Houwaart 42 0
10 houttienden 42 0

Waren de grote tienden belangrijk, de houttienden waren dit evenzeer: in 1715 noteren we te Rode, geeste1ijk, ongeveer 210 tiendbare percelen bos, boomgaard of kanten, hetgeen een jaarlijkse opbrengst bezorgde - naargelang het kapjaar - van 2842 tot 4530 mutserts hout en 2 tot 10 bussels boonstaken. Soms werd een som geld betaald: in 1715 trok de pastoor 1120 bussels hout, 23 gulden, 10 busselen boonstaken en 10 busselen gekapte latten.

Wat de novalia betreft dient nog vermeld dat deze voornamelijk geheven werden op pas ontgonnen gronden onder Houwaart, Vlasselaar en Nieuwrode. Hetgeen erop wijst dat deze dorpen toen ten dele lang buiten de grondkultuur bleven liggen. Deze geïnde tienden werden verzameld in de tiendenschuur. De eerste tiendenschuur van Park, werd volgens archief 1645, gebouwd op de Uilenberg in 1274. Deze stond op 4 bunders grond, die na het slopen in 1655 bos werden. Toen echter de pastorie werd herbouwd, werd daarbij een nieuwe tiendenschuur gebouwd, die jammer genoeg in 1958-59 gesloopt werd.

Hoe geschiedde nu het innen van de tienden? Zodra het hooi in oppers of het graan of hout in hopen stond, moesten de boeren de tiendenmeester gaan verwittigen. Deze kwam de oogst dan tellen en stelde de af te stane hoeveelheid graan, hooi of hout vast. De graantienden moesten betaald worden uit het midden van het veld, niet uit het begin of het einde van de akker.

Het spreekt vanzelf dat de boeren dit tegen hun zin betaalden - ze hadden het al zo nauw - zodat menig keer de pastoors van Rode zich beklagen dat ze de tiendenmeester niet, ofwel te laat hadden verwittigd, zodat reeds een groot deel weggeborgen was.

Uit de manuale van pastoor Henrici weten we dat de ophaler van de houttiende, Henricus De Roost, jaarlijks verdiende: 4 guldens en 4 stuivers in geld, en "eene tonne clijn bier". Het bier "wordt betaelt als men brauwt, en het geldt ontrent St. Jan Baptist of Kermise" Wellicht had Henricus De Roost grote dorst bij het laden van het hout.

Vermeldenswaardig te St-Pieters-Rode zijn eveneens de tienden die werden geheven op de wijngaarden, tot in de 15-16 de eeuw. Uit latere archiefstukken blijkt dat die wijngaarden verdwenen zijn. Het bestaan te Rode van wijngaarden konden we wel vermoeden uit hetgeen de volksmond er nog van vertelt, en omdat een plaatsnaam nog een vage herinnering oproept, nl: de Perse, de Pers. Een banpers was in de Middeleeuwen geen zeldzaamheid. Dit perceel, waar voordien de wijnpers zou gestaan hebben, ligt ter linkerzijde op de weg van het kasteel naar de Dries. De wijngaarden te Rode lagen voornamelijk tussen het kasteel en de Pers. In 1461 heeft het kasteel daar wijngaarden liggen (A.f.P.L.R.S.P. p. 255). In 1369 vermeldt Van Lantwijck bij de verkoop van zijn leen: "een stuk wijngaard waarvan nu bos gemaakt is ..."(A.P. lib.R.S.P. p. 247). Ook op ter Eeckt lagen wijngaarden (huidige Langestraat), net als op de heuvels van Vlasselaar, Houwaart (Roeselberg) en Nieuwrode (Houttiendeboek Par. Arch. 1623)

Deze wijngaarden werden tamelijk duur verhuurd. We schrijven uit L.S. Arch.P. XV 18, stuk uit 1555, het volgende over: "Het godts huys van Parc heeft onder Rhode eenen wijnhoff gelegen te Eeckt dat in huering huldt Dirick Eykmans 's jaers voor XI mudden roghe ende voor wijn XVI rijnsgulden aen den heere van Horst, noch 5 mudden evene (zwarte haver) ende 7 ganzen. .."

Rekenen we even de huurprijs om in halsters: 11 mudden rogge is 44 halsters, wat neerkomt op ongeveer 1400 liter koren, daarbij 5 mudden haver, d.i. 20 halsters of 600 liter, zeven ganzen en 16 rijnsgulden. Het komt ons voor dat de wijngaard hoger verhuurd en belast was dan de hele Eeckterhoeve tezamen.

Zoals gezegd maakt het houttiendeboek van 1623 ook gewag van het eertijds bestaan van wijngaarden op Houwaart, Nieuwrode (Velsberg) en Vlasselaar, geestelijk Rode. "Houttiende onder Houwaart dat eertijds wijngaert is geweest alwaar de pastoor van Rode de wijntiende placht te hebben en nu bosch geworden..." Daarna volgen 35 percelen, vroeger beplant met wijngaarden. Hieruit blijkt klaar dat op de Hagelandse heuvelflanken de wijngaarden helemaal niet zeldzaam waren maar dat reeds in het begin der 17 de eeuw de wijnwinning in verval geraakt was.

Omtrent de Hagelandse landwijn schreef Boonen in zijn geschiedenis van Leuven in 1593: "Den Lovenschen oft landtwijn is van sulchen natueren dat hij den menschen niet lichtelijk tot kijven oft vechten en verweckt; nochtans ist somwijlen wel bevonden, in hete somers ende als hij onder de hondsdagen rijpt, dat hij wel excellent ende fameus bevonden es geweest. Alsoo datmen van sulchen pot landtwijn meer soude verheugt geweest hebben dan van twee potten rhins oft franswijns. Men segt dat die..." De toestanden die Boonen aanhaalt als oorzaak van het verval van de wijnbouw te Leuven, zullen zich ook hier hebben doen gelden zodat de wijnbouw in het Hageland maar een kort intermezzo geweest is in de agrarische geschiedenis van de streek.

De inkomsten van de tiendenheffing te Rode waren dus zeer groot. We mogen echter niet vergeten dat de abdij van Park ook verplichtingen had. Zij moest zorgen voor de tienden-klok, waarmee het "uur" geluid werd: de mensen hadden immers geen uurwerk. Deze klok moest bij overeenkomst 1600 pond wegen. Park schonk er een van 2000 pond. Daarbij moest de abdij instaan voor de nodige ornamenten, heilige vaten, boeken, gewaden enz. opdat de mis zou kunnen gedaan worden aan het hoofdaltaar.

Met het oog op deze doorlopende zorg schonk de abdij aan de kerk de helft der tienden van Vlasselaar, waarover hierboven reeds sprake was. De abdij zelf moest het dak onderhouden van het koor, terwijl de parochie het dak van het schip, de toren en de muren moest onderhouden. Soms waren deze kosten te zwaar voor de kerk. Dan steunde de abdij steeds royaal opdat het werk mooi en goed zou uitgevoerd worden. Zo b.v. in 1675, toen ze eiken en ijzerwerk gaf om de toren terug op te bouwen samen met het schipdak die in 1646 door de achteloosheid van de werklieden die de muren aan 't opkalefateren waren en in de toren sliepen, vuur vatte en totaal in de vlammen opging. Ook de pastorie werd uit het tiendengeld van Park gebouwd - en soms hersteld, zoals in 1609, jaar waarin de abdij ter restauratie van de pastorie 300 gulden gaf (1609 D.V.)

Naast de inkomsten van tienden voor de abdij en de pastoor - die in het begin XVIII de eeuw 400 goudgulden bedroegen, waren er nog de gronden waarop ofwel een erfpacht stond ofwel die in volle eigendom aan de abdij of pastorie toebehoorden en dus zelf werden uitgebaat of verhuurd.

We zagen reeds dat de Park Abdij in 1285 de heerlijkheid van Rode had aangekocht van Johannes en Hendrik de Molenbeke, zonen van Johannes de Molenbeke, met de daartoe behorende goederen, rechten en aanhankelijkheden. Dit betekent dus dat Park niet alleen gronden kocht, maar eveneens het Cijnsboek en het Leenhof met de daarbij behorende baten, terwijl in 1301 voor de pastorie van Rode en haar geestelijkheid verscheidene gronden op de Bruul, op de Bist en in het Bergbroek werden gekocht van de Hertog van Brabant.

Het bezit van het Cijnsboek door Park blijkt uit de verkoopakte van 1660, als de abdij de heerlijkheid weer van de hand doet, en uit menig ander archiefstuk. Er is trouwens nog een cijnsboek teruggevonden, hetwelk de toenmalige toestand zeer duidelijk omschrijft. Dit cijnsboek werd opgemaakt, zoals de inleiding meedeelt, uit oude perkamenten van 1293, 1460, 1492 en 1550.

Wie was volgens dit uit 1698 daterend document cijnsplichtig en welke waren de plichten ? Zowel pachthoven als instellingen, geestelijke als wereldlijke (H.Geest) moesten aan Park cijns betalen. Deze cijns werd zowel in geld als in natura betaald. In totaal werden door de abdij 780 stukken grond belast toebehorende aan 20 boerderijen, waarvan hier de namen volgen:

de Smissenboeve 19 dagmaal
de Nieuwrotsche hoeve 23 dagmaal
de Beeckhoeve 23 dagmaal
de Hergrachthoeve 21 dagmaal
de Raetshoeve 17 dagmaal
de Manaertshoeve 13 dagmaal
de Niemantshoeve 22 dagmaal
de Coeshoeve 16 dagmaal
de Spechthoeve 12 dagmaal
de Hageboschhoeve 23 dagmaal
de Goliehoeve 39 dagmaal
de Eeckterboeve 18 dagmaal
de Husselhoeve 17 dagmaal
de Smisentshoeve 16 dagmaal
de Molenhoeve 20 dagmaal
de Cromshoeve 17 dagmaal
Totaal
316 dagmaal

Dit zijn de hoeven die oorspronkelijk ook moesten werken voor de abdij: zij waren herendienst verschuldigd. Er is herhaaldelijk sprake van angerkorren, een snijdach, een hooier enz. Deze prestaties werden dan in 1648 in het cijnsboek omgerekend in geld. Een snijdach was 10 plecken, een angerkorre 10 plecken, een angerwagen 20 plecken, een hooier 10 plecken.

Eveneens waren sommige hoeven pluimvee verschuldigd als cijns: een haan of ganzen. Indien deze niet voorhanden waren, werd eveneens een omrekening gemaakt in geldwaarde: een haan was 10 stuivers waard, een gans 18 stuivers.

Naast deze 16 hoeven die oorspronkelijk herendiensten moesten verrichten waren er nog de broodhoeven. Deze hoeven moesten hun cijns betalen onder vorm van brood. Per dagmaal land moesten jaarlijks 5 broden worden betaald. Het spreekt vanzelf dat Park de boerenslimheid voor is geweest en ervoor gezorgd heeft dat ze geen kleine broden zouden geven. Om de grootte van een brood te bepalen was regel dat 1 molenvat meel drie broden bevatte.

De broodhoeven waren:

de Coutershoeve 20 dagm. 100 broden
de St.Peetershoeve 94 dagm. 470 broden
de Monnikshoeve 20 dagm. 100 broden
de Wennelshoeve 78 dagm. 160 broden

Op deze laatste hoeve had de Heer van Horst recht op de helft van de broodcijns.

Er weze terloops op gewezen, dat deze hoeven niet uit hun geheel, of zelfs helemaal niet voor een deel, eigendom waren van de abdij. In de Middeleeuwen was het geen zeldzaamheid dat de hoven soms 10-15 eigenaars (allerlei rechthebbenden) hadden, zoals nu bv. nog de landbouwhuur en de pachthuur nog kunnen gesplitst zijn. De abdij had er alleen maar cijnsrechten op, deze rechten werden aanzien als onroerend goed.

De tot de hoeven van de heerlijkheid Rode behorende gronden, behoorden toe aan vele grondbezitters. Ook aan deze mensen moest dus een grondhuur betaald worden. Naast de ingezetenen van het dorp of de naburige dorpen waren de grootste eigenaars in 1648, zoals in een voorgaand hoofdstuk beschreven, de verscheidene geestelijke instellingen en de Heer van Horst.

Uit een inventaris van 1655, (L.S.Arch.P.III,44), opgemaakt door gezworen landmeter Joris Subrie, volgens getuigenis van de Meyer, schepenen en ouderlingen van Rode, blijkt dat de abdij 46 percelen land, bos of beemd bezit. Samen groot ongeveer 40 bunder, waaronder de Eeckterhoeve, verworven in 1445 op 16 jan. (lib.R.S.P. pag 202), en 't hof ten Ulenberghe. (aan de huidige Putstraat en Leempoelstraat)

Dit voor wat betreft de Abdij-inkomsten te Rode. Daarnaast was er ook de pastorie. Ook deze was royaal bedeeld met inkomsten. Hierboven zagen we reeds dat, naast het 20ste of 40ste deel op de Parkse tienden, de pastoor een volledige houttiende bezat (Manuale Smets), op los stuk uit 1782: "De houttiende blijvende als vorens aen de pastorije...". De pastoor baatte uit voor eigen rekening of verhuurde 5 bunders, 7 roeden grond. Hij kreeg de tiende van vlas en kempzaad, wat later werd omgezet in boekwei, en hij had de vleestiende. Het manuale Smets vermeldt: Lammekens, ½ varkenskop, een koppel kiekens of een varkentje. Pastoor Davis kreeg regelmatig in ruil voor hooitienden, een paar kiekens of, op verscheidene pachthoeven, een speenvarkentje.

Daarnaast zorgde de gemeente voor een jaargeld ten belope van ongeveer 60 gulden, (20 ½ penninck 3 maal)

Dit jaargeld bleef bewaard tot aan de Oostenrijkse kerkelijke hervormingen onder Jozef II.

In het dorp (tegenover de kerk) was reeds in 1655 een herberg, genaamd "De Bont Os", waar de pastoor recht had op de tiendenopbrengst van de tuinvruchten.

Een akte van 1306 vermeldt dat op de hoeve ter Eeckt de pastoor het recht had de vijver leeg te vissen, er terug jonge vis op te zetten en alles te doen wat nodig mocht blijken om de vijver zuiver te houden.

Opvallend in het archiefonderzoek omtrent St-Pieters-Rode is dat er tamelijk veel belangrijke gestichte jaargetijden waren of belangrijke schenkingen voor een regelmatige mis. In 1227 werd door de Hertog van Lotharingen een zielemis gesticht. Deze mis werd betaald door de Hertog, Arnoldus de Rode en Reinbold de Thunen, Getuigen waren Jan van Arschot, Am. de Rode en Rombaut de Thunen (Arch. Park). Amelricus Boete, Heer van Horst, heeft eveneens een jaargetijde gesticht rond 1400.

In 1460 liet Amelricus Pinnock - tot zijn zielenrust - jaarlijks enkele missen doen op het altaar van St.Catharina. Later in 1633 werden deze missen herleid tot de wekelijkse votiefmis ter ere van het H. Sacrament, die in de 18 de eeuw nog steeds werd gecelebreerd (Dek. Bez.1673).

Daarnaast werden nog een tiental jaargetijden gefundeerd, voornamelijk tussen 1700 en 1800.

Vergeten we echter niet dat de pastoor bij zijn benoeming een altaar verwierf waaraan, op verplichting elke dag een mis te doen, een niet onaanzienlijk stipendium verbonden was.

Niet alleen van geestelijke zaken, ook van meer aardse dingen moest de pastoor te Rode het hebben. Hij bezat namelijk, en dat met zekerheid vanaf 1303, een brouwerij die lafenis bracht voor drooggebeden lippen. Die brouwerij lag in het dorp. Later kwam er nog een herberg bij, de Blinde Ezel.

Deze brouwerij had als enige huurverplichting ervoor te zorgen dat de pastoor geen dorst leed: ze werd verhuurd voor wekelijks 10 gelten bier, zolang er gebrouwd werd (van Lichtmis tot St. Jan) Later, 1538, werd dit contract omgevormd als volgt: de brouwer moest jaarlijks 27 rijngulden betalen aan de weduwe van de vorige brouwer, voor brouwerij en Blinde Ezel, 20 stuivers aan de pastoor, alsmede aan de pastoor iedere dag "eenen pot biers ende des sondaghs 2 potten biers". In nota staat daar nog aan toegevoegd dat 1 pot bier 2 stuivers kostte - dus had de pastoor 41 gulden 14 st. per jaar. Een bedenking of vrome verzuchting? In 1600 of kort daarna laat de pastoor, Augustus Radius, dit bier door zijn nicht, Catharina Stassaert, betalen 14 gulden (Manual. Past. de Waersegger. Jol 24)

Toen in 1666 Park de rechten en de heerlijkheid van Rode verkocht aan de Heer van Horst, vervielen deze biervaten. "Anno 1666 heeft de Heere Prelaat de Paepe dese rente van 12 guldes verkocht met cheijnsboeck ende Heerelijckheit van Rode aen den Heeren Van Horst ende soo is den pastoor dese rente quijdt sonder vergeldinge.. ." Wie met de grote heren kersen eet, krijgt alleen de pitten.

Home Inleiding Zoek Uw naam op in de grootste databank van het Hageland Welke gegevens hebben wij? Sint-Pieters-Rode Welke boeken hebben wij? Enkele volkstellingen uit het Hageland Nuttige links Contact