Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode

Deel 1.3
De heerlijkheid van Thunen ?

De geschiedschrijver die zich aan de geschiedenis van St-Pieters-Rode waagt, stuit vroeg of laat op het mysterie van het "Hof van Thunen". Er bestaat nl. in de gemeente een zeer oud boerenhof dat nu nog in de volksmond Tunenhof genoemd wordt. Waarschijnlijk uitgaande van dit feit hebben sommige geschiedschrijvers de mogelijkbeid geopperd dat er te Rode een domein of heerlijkheid zou bestaan hebben, liggende op de oosterkant der gemeente in de richting van Houwaart.

Waar we ook gezocht hebben, nergens hebben we een spoor gevonden van een bestaan van dergelijke heerlijkheid, zodat we geneigd zijn te geloven dat Thunen als heerlijkheid, nooit heeft bestaan.

Wat we wel vonden zijn enkele verwijzingen naar de naam van Thunen, de Thunen, van Thienen etc...

In 1227 vinden we hem voor een eerste maal vermeld in een archiefstuk uit de Parkabdij, waarin Rembaut de Thunen voor Arnoldus de Rode getuige is bij een jaargetijdestichting in de kerk van Rode. Ook de Hertog van Brabant is hier getuige. In een akte van 1250 (Parkarchief) treedt voor Goswin de Rode op als getuige: ...de Thunen, Joannes, zoon van de Thunen en Wilteman de Thunen.

Opvallend is dat we de Thunen regelmatig terugvinden in gezelschap van de Hertog, zoals in 1301, 5 juli, waar bij optreedt als ontvanger van de Hertog voor diens goederen onder de tiense meyerij gelegen. Hij wordt daar genaamd "Watherus, dictus Onghoven, de Thenis".

Het is een feit dat de Tiense meyerij onder St-Pieters-Rode verscheidene goederen had liggen, o.a. twee vijvers op de Uilenberg waarop de pastoors van Rode het visrecht hadden op voorwaarde aan de hertog jaarlijks 2 Leuvense deniers te betalen. Deze betaling moest geschieden in handen van de Tiense ontvanger, in dit geval Walter de Thunen.

Anderzijds weten we dat in het necrologium van Park sprake is van een hof van Tienen gelegen te Rode, dat belast werd met 40 solidi voor een zielemis: "accipiendi in Rode de consu qui fuit mensae sancti spirtus in Thenis". Het betreft hier een mis op te dragen voor Elisabeth de Rode, dochter van Arnoldus en Clarissa de Rode. Elisabeth was echtgenote van Goswin van Ter Eeckt volgens een schepenakte van Leuven, dat. 26 aug. 1314. Dit hof van Thunen zou ten tijde van de stichtingsakte van het jaargetijde reeds eigendom zijn geweest van de Tiense H. Geesttafel, of alleszins had die armentafel daar aanzienlijke rechten. Hieruit menen we te mogen besluiten dat er wel geen heerlijkheid Thunen heeft bestaan, maar wel een aanzienlijke winning, eigendom van de Hertog, later uiteengevallen naar de H. Geesttafel en het klooster van Gemp, waarop een Tiense rentmeester heeft gewoond om de belangen van de hertog te behartigen. De Thunen was dus geen eigenlijke leenman, maar een dienstman van de hertog.

De leenman was aan zijn vazal gebonden door de band van zijn grondleen, de dienstman was aan de heer gebonden door een dienst: de heer schonk hem in ruil voor deze dienst een onderkomen en winning. Deze dienstmannen konden tegelijkertijd nog leenman zijn van een andere heer: dit was het geval met de Thunen: in 1264 was de Thunen te Rode leenman van de heer van Wezemaal, en alleszins voor 1310 ook van de heer van Winge, waarvan de vierde schoof te Rode gehouden werd.

Anderzijds vinden we in het Cartularium van Gemp de volgende gegevens die tamelijk nauw aansluiten met de namen der Thunen-familieleden uit het Parkarchief, hierboven aangehaald. Uit dit Cartularium lichten we enkele charters die ons verduidelijken dat de eigendom de Thunen gedeeltelijk is overgegaan naar het klooster van ‘s Hertogeneiland te Gemp. De reden daarvan was dat een der dochters van Walther de Thunen daar kloosterlinge werd.

Op 4 mei 1264 verkoopt Walter de Thunen aan de oudste zoon Arnold al de lenen die hij hield van de heer van Wezemael. Arnold op zijn beurt verkoopt deze lenen aan zijn broer Jan de Thunen.

Arnold de Thunen is reeds gestorven voor 1270, zoals blijkt uit een akte van 1270, mei (Cart. Gemp) waarin geschreven staat dat hij vroeger aan zijn zuster Lutgarde, in het klooster van Gemp, een kapitaal van 30 ponden, te nemen op een bos te Gobbelsrode (Geestbeek) beloofd had. Op 22 dec. 1270 wordt dit nog eens bevestigd.

Een zeer belangrijk document is dit van 15 april 1276 (Cart. Gemp) waarin Jan de Thunen, geestelijke, zoon van Walter de Thunen (Welleman) erkent al zijn goederen verkocht te hebben aan 't klooster van Gemp. Daar deze Jan echter reeds alles had gekocht van zijn inmiddels overleden broer Arnold (1264) zal er van het oorspronkelijke hof van Thunen na deze datum niet veel meer overgebleven zijn.

            Rembout (1227)
__________________________________________
Jan                               Walter (Welleman) (1250)
                        __________________________________________________________________
                        Arnold (overl. 1270)                  Jan (geestelijke)                        Lutgarde

In het Lib. R.S.P. van het Parkarchief is in 1310 bij de verdeling der goederen van Jan de Rode eveneens sprake van een leen dat de Rode afkocht van Henricus de Thunen: de vierde schoof op de goederen van de heer van Winge. Van deze Henricus konden wij de plaats niet juist vinden die hij in de Thunen genealogie moet innemen. Feit is dat Thunen en Horst zeer nauw verbonden waren. Sommige gronden werden door de beide heren samen geëxploiteerd. cfr.1369, Lib.R.S.P. verkoop van Horst door Lantwijck waarin staat dat Aert (Am.) de Thunen samen met de heer van Horst de grond placht te hebben.

Home Inleiding Zoek Uw naam op in de grootste databank van het Hageland Welke gegevens hebben wij? Sint-Pieters-Rode Welke boeken hebben wij? Enkele volkstellingen uit het Hageland Nuttige links Contact