Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode

Deel III
Het onderwijs in Sint-Pieters-Rode

Wanneer we in een dekanaal verslag van 1603 en 1608 lezen "Joannes Duremans, kapelaan van het O.L.Vrouwaltaar, tevens kapelaan van Horst en koster, is ook schoolmeester in de winter, maar heeft geen leerlingen omdat hij dikwijls te diep in de beker kijkt", en ook anderzijds een petitie van gemeente en parochie aan de Mechelse Aartsbisschop werd gezonden, waarin zij grondig klagen dat er in 15 jaar tijd geen les werd gegeven en de jeugd verwaarloosd rondloopt, dan weten we meteen hoe gedurende vele eeuwen de toestand van het onderwijs was in het landelijke Rode.

En toch was er in die jaren al een stap vooruit gegaan: we lezen immers in een voorgaand verslag van 1598 dat er te Rode helemaal geen school was en de deken verontwaardigd schrijft er sinds mensenheugenis geen vormsel meer werd gegeven.

Nu weten we wel dat de zestiende eeuwse troebelen daaraan niet vreemd zijn, maar toch wil het ons voorkomen dat, gezien het bijna absolute ontbreken van gegevens dienaangaande, het onderwijs in die tijden en voordien lamentabel was.

Wel ligt in een bijnaam van een pastoor misschien een verwijzing naar de functie van schoolmeester, maar we zouden daarop toch geen eed willen doen.

Anno 1368 wordt pastoor Hendrik Witteman ook genoemd Henri Meester Peeters. Of daarmee nu bedoeld wordt een functie dan wel een verworven titel - meester in de kunsten - kunnen wij uit de teksten niet puren.

Zeer waarschijnlijk is dat de kosterij verbonden was aan het jeugdonderricht. De kosters voor zover we ze kennen - worden eveneens dikwijls meester genoemd, en indien zij priester zijn wordt deze vermelding eraan toegevoegd.

De lijst van de 16 de eeuwse onderwijzers-kosters zou dan de volgende zijn, volgens het register in beneficiën en kerken van de abdij van Park.

  • voor 1552 Joannes Leonardi, magister.
  • 28 jan …. Fr. Ourogge, presbyter.
  • 13 febr. 1562 Wilhelm. Boonen, magister, presbyter.
  • 3 april 1564 Jan Berckmans, magister
  • 1577 Hieronimus Vekers, presbyter.

Deze Hieronimus Vekens is geen koster meer in 1598, jaar dat door de deken geschreven wordt dat er ook geen school meer is, zodat we geneigd zijn kosterij en onderwijs als een eenheid te beschouwen voor de 16 de eeuwse tijdspanne.

In 1603 schijnt de toestand van het onderwijs weer op te klaren wanneer Jan Duremans, kapelaan, weer aanvaardt tegelijkertijd de dienst van koster-onderwijzer te doen. Zijn goede voornemen is echter vlug gesmoord geworden in de bierkan, zodat de ouders geen vertrouwen meer hadden in de schoolmeester.

Deze hopeloze toestand schijnt lang te hebben geduurd nl. tot 1631. Toen werd kapelaan van het St.Sebastiaanaltaar te Rode een zekere Philippus, pastoor in Wespelaar. Deze liet zich vervangen door een jonge leek, nl. Joannes Peten. Maar daar Joannes Peten pas getrouwd was, kon hij zich weinig inlaten met de kerk, - hij was ook koster - en school. Trouwens, er kwamen alleen maar kinderen naar school in de winter. In de zomer moesten ze het vee hoeden in 't Broek of thuis mee werken. Joannes Peten kreeg voor zijn winteronderwijs en zijn kosterij een vergoeding van 80fl. 's jaars, maar daarvan moest hij er 12 afstaan aan de pastoor voor zijn erkenning. Daarenboven mocht hij bij de mensen wier kinderen bij onderwees een omhaling doen. Hij kreeg schoven graan, eieren en brood.

In dezelfde tijd werd het godsdienstonderricht eveneens slechts in de winter gegeven, omdat de kinderen in de zomer toch niet verschenen (1632) Dit onderricht werd gegeven door de pastoor.

Of Peten onderwijzer bleef, is ons niet bekend. In 1657 vinden we nog een vermelding in de dekanale rapporten dat de koster een "mercenarius" is, een huurling, die aangesteld werd door de rechthebbende beneficiant, en die tegelijkertijd onderwijs gaf. Deze beneficiant was de pastoor van Holsbeek, Kenes, die dus iemand betaalde om zijn dienst te Rode te doen.

In 1976 is in Sint-Pieters-Rode, tussen twee zolderbalken van een oude woning, een schoolboekje gevonden uit de 17e eeuw. Naast de lettertekens van het alfabet, in gotisch en modern, bevat het enkele gebeden: Weesgegroet, Onze Vader, XII artikelen, Gebed voor en na het eten, de Voor-Bicht en de Nabicht; een gebed tot de "Alderheyligste Maegd en moeder Gods, Maria" en een rijmpje 'Wat pyst ge over het kerkhof gaande" Dit is dan alles, daarmee konden de kinderen het stellen, zodat we kunnen aannemen dat, eenmaal het godsdienstonderricht elementair afgelopen, er een punt werd gezet achter de intellectuele opvoeding der Rodense jeugd.

Het spreekt vanzelf dat de kosters-schoolmeesters, met het mager loon dat ze kregen, niet konden rondkomen en verplicht waren een of ander bijberoep uit te oefenen. Het ligt voor de hand dat ze ook landbouwer waren. Doch ook dit moet hen niet veel opgebracht hebben - tenzij ze hun zuur verdiende centen verbrasten - want in 1669 worden bij koster-schoolmeester Peter de meubels aangeslagen en ook het vee, omdat de koster noch de kerk, noch de H. Geesttafel, waarvan bij grond huurde, voor lange jaren niet meer betaald had. Waaruit we besluiten dat het tussen schoolmeester-koster en pastoor niet altijd mooi weer geweest is.

Dit onderwijs is dan alleszins minderwaardig en onregelmatig geweest, want het begon de inwoners op de zenuwen te werken. In 1682 besloten ze samen, gemeente en pastoor, een brief te schrijven naar de Aartsbisschop van Mechelen, Kardinaal de Berghes

In deze brief komt de volgende passage voor:

"Gheven reverentelijk te kennen, den heere pastoor en de gemeynten van St.Pieters Rode onder het distrikt Loven hoe dat nu over de twelff, derthien en meer jaeren aldaer gheen bequaem school en is gehouden geweest tot leeringhe van de kinderen, Soo dat de ouders sijn genoodtsaeckt geweest hun kinderen te senden buytens het dorp om gheleerdt te worden, en hierdoor is het geschiedt, datter zeer luttel kinderen sijn geleerdt,…"

De oorzaak hiervan was, aldus pastoor en gemeente, "omdat de kosterije, ofte matricularie, te klein van inkomsten was om te kunnen resideren te Rode, en deze beneficianten aan niet geestelijke personen een pensioen gaven om hun dienst te doen zonder de verplichting onderwijs te geven. Daarom verzoeken de pastoor en de gemeente de bisschop het kosterschap verplichtend te binden aan een scholasterij. En ze voegen eraan toe zoals het vroeger altijd is geweest. Dus kunnen we hier aannemen dat de 15-16 de eeuwse kosters inderdaad ook les gaven. Ten bewijze van hun lamentabel onderwijs tekenen de schepenen van Rode hun brief aan de bisschop met een kruisje, "belijdende niet connen te schrijven"

De bisschop antwoordt hierop positief voortaan zal de matricularie verbonden zijn aan de scholasterije, en de beneficiant moet te Rode verblijven: het kwaad is echter nog niet tot in de wortel uitgeroeid omdat de aartsbisschop maar een halve maatregel neemt: de beneficant mag zich laten vervangen. En de ellende herbegint.

Zodat in 1718 pastoor Smets met J.P. Van Ghestel, meyer van St-Pieters-Rode en zijn 7 schepenen, aan de Prins en de Prinses de Rubempre een verzoekschrift richten om hen "reverentelijck" te wijzen op het slechte onderwijs en hiervoor een oplossing voor te stellen. Pastoor en gemeente stellen voor op de Roeselberg ditmaal, een school op te richten, zodat de kinderen van de twee dorpen, Houwaart en Rode, daar naartoe zouden komen en de onderwijzer een volwaardig bestaan daarvan te verzekeren. Door de ijver der schoolmeesters, zo beweren de vroede vaderen, zal het getal scholieren groeien, tot meerdere bloei der jonkheid en der gemeenten. Er wordt voorgesteld daar voor de schoolmeesters een kluis met eene commoditeyt tot de schole te bouwen, waarin zij een afgezonderd leven leiden want de voorgestelde onderwijzers zijn geestelijken die leven volgers de 3de regel van H. Franciscus en in het franciscushabijt. De twee franciscanen willen zelfs uit eigen middelen bijdragen voor zover de school hen niet genoeg biedt voor hun levensonderhoud.

In de maand mei 1718 antwoordt de prins aan de gemeenten dat hij akkoord is. Er mag op de Roeselberg school worden gedaan, er mag een huis worden gebouwd maar geen kluis, want de aartsbisschop laat geen kluizenaars of heremieten meer toe in het bisdom, en de onderwijzers kunnen geen aanspraak maken op enig recht.

De eerste onderwijzers aldaar waren Hendrik Verhoeven, geboortig van St-Joris-Winge, en een zekere Smets uit de meyerij van 's Hertogenbosch.

Hoelang dit schooltje op de Roeselberg bestaan heeft, konden we totnogtoe niet achterhalen. Alleszins niet zeer lang, want in St-Pieters-Rode-dorp vinden we een halve eeuw later weer dorpsonderwijs, even triestig als voorheen. Dit blijkt duidelijk uit het volgende. We lezen in de rekeningen van de Tafel van de Heilige Geest dat de zoon van de koster les geeft in de plaats van zijn vader. Tot rond de jaren 1780 is dit onderwijs nog steeds een winteronderwijs, waarvaar de kosterszoon een hongerloon kreeg dat berekend werd per kind. De koster of zijn zoon had per kind een vergoeding van 1 stuiver per week.

Een greep uit de kerkelijke rekeningen geeft ons een idee van dit onderwijs. In 1787 kwamen er 14 kinderen, in 1788 11, en in 1789 8 kinderen naar school, jongens en meisjes samen. De kerkelijke rekening van 1787 vermeldt eveneens hoe lang juist de 14 studenten van Rode aldaar dat jaar cursus volgden

  • J. Deroost 2½ maand
  • M. Josepha Van Rengen 3 maand
  • Jan Reyniers 2½ maand
  • Maria Reynders 2 maand
  • Maria Van Laer 3 maand
  • Marcus Vits 3 maand
  • J.B. Nies 3 maand
  • P.J. Nies 2½ maand
  • Maria Anna Nies 6 weken
  • Maria Veltens 3 maand
  • Cath. Cortens 2 maand
  • Jan Vits 6 weken
  • Gerard De Roost 3 maand
  • Cathar. Reynders 1 maand

Voor een jaar onderwijs had koster Demarsin 7 gulden en 8 stuivers En zeggen dat dit nog een vet jaar was.

Tot 1789 bleef deze toestand alleszins aanslepen. Hoe daarna het onderwijs te Rode evolueerde kunnen we niet met zekerheid zeggen, daar alle archief daaromtrent in de brand bleef van het gemeentehuis in 1943.

Feit is dat de omwenteling voor het dorpsonderwijs geen slechte zaak is geweest. De kadasterkaart van Popp wijst op het bestaan van een gemeenteschool, ondergebracht in het gemeentehuis, dat lag op de weg tussen de kerk en de pastorie (het gebouw van de familie Minnen)

De schoolstrijd scheurde het dorp in twee. De katholieke vrije school werd ondergebracht in het kasteel van Horst - de gemeenteschool bleef voortbestaan. Tot 1901 bleef deze vrije school, geleid door zusters van Maria uit Leuven, in het kasteel, waarna, door de zorgen van pastoor Smeyers, een nieuwe school gebouwd werd in het dorp.

Een schoolschrift, bijgehouden tot 1964 door de zusters van Maria te Leuven, en berustend in het pastorijarchief, schetst ons in grote lijnen de ontwikkeling van het vrij onderwijs. 'De geuze schoolwet van 1879 aldus dit relaas, gaf aanleiding tot het stichten van de vrije scholen.

Het kasteel van Horst werd door de toenmalige eigenaarster, Gravin de Merode van Westerlo, gratis ten gebruike geschonken. De oude pastoor Van Welde stelde zijn jonge coadjutor M. Post als bestuurder der school aan.

Deze school was een gemengde school. Tot 8 jaar bleven de jongens onder de hoede der zusters. Daarnaast bestond een gemeentejongensschool voor de grotere jongens. Van 1.10.1879 tot 1.10.1880 was een inwoner van het dorp onderwijzer van de Vrije school, nl meester Grammens. Van 1 okt. 1880 werd de onderwijzer vervangen door de Zusters Niklaas (Zusters der Visitatie) die het in Rode niet konden uithouden. Deze zusters werden vervangen door de Zusters van Liefde uit Leuven (Paardenmarkt) Deze zusters waren niet gediplomeerd, maar mochten door de wet van 1884 voortgaan met onderwijs geven. De meisjesschool werd op 5.11.1884 aangenomen als gemeenteschool. Bestuurster dezer school werd Zr. Bryland. Ondertussen bleef een gemengde klas voortbestaan met als onderwijzeres Zr Have.

In 1888 verdwenen de Zusters van Liefde uit Rode, en maakten plaats voor de Zusters van Maria, Geriotstraat Leuven. Er kwamen 3 zusters naar Rode: Zr Petronella Van Laer, hollandse ; Zr Emmanuel-Marie Thys, Tongeren en Zr Ermelinde, Loenwezel (?) Op 1 okt 1893 werd Zr Emmanuel vervangen door een gediplomeerde zuster, Lambertina Hagemans uit Betekom (° 29.05.1872) Op 6 okt. 1895 wordt Zr Lambertina vervangen door Zr Felicite (E. Teskens, geboren te Peer) Eveneens in 1895 krijgen we een niet-bezoldigde fræbelonderwijzeres, Zr Wivine Van de Plas (geboren te Ottenburg 10.05.1868) Ze vertrok in 1900 naar Werchter. In 1897 werd Zr Felicite vervangen door Zr Perpetua Geens (° Werchter 10.11.1853) Deze zuster stichtte te Rode een zondagsschool en een vrije bewaarschool die gehouden werd in het kasteel, ten jare 1899. Deze school werd gesteund door de staat. Vanaf het ontstaan in 1879 had de "kasteelschool" een relatief succes. In de lagere en middelbare graad zaten een 30-tal leerlingen. De kosteloze school, gegeven door Zr Van De Plas, had 28 leerlingen. Het klasmeubilair was zeer karig, er bestond slechts het hoogstnoodzakelijke, zoals plompe banken, een lessenaartje voor de zuster en enkele kaarten. In 1900 werd in het dorp door pastoor Smeyers een groot pachthof aangekocht dat moest dienen tot woonst der zusters en tot het bouwen van 3 klassen, twee lagere en een bewaarklas. De bouw van die school was klaar in 1902, en toen verhuisden de zusters van 't kasteel naar het dorp.

Home Inleiding Zoek Uw naam op in de grootste databank van het Hageland Welke gegevens hebben wij? Sint-Pieters-Rode Welke boeken hebben wij? Enkele volkstellingen uit het Hageland Nuttige links Contact